Breed fokken
Een nieuwe
manier om je ras gezond te houden?
De DHCN gaat met het
fokprogramma "breed fokken" werken.
Op deze pagina leggen we uit waarom we hiervoor kiezen, wat
het inhoudt en hoe we als vereniging dit willen
ondersteunen.
Waarom breed
fokken?
In fokkersland was het in het verleden belangrijk honden te
fokken met vooral uitstekende eigenschappen. De tijd ligt
nog niet ver achter ons dat een mooie reu veel geld waard
was omdat deze reu regelmatig werd gebruikt voor dekkingen.
Ook honden met bepaalde karaktereigenschappen kregen de
voorkeur bij het fokken. Men wilde immers prachtige
nakomelingen, die zo mogelijk ook weer hoge ogen konden
gooien op de shows. Omdat mooie honden vaak in familielijnen
voorkwamen werden ook vaak aan elkaar gerelateerde honden
gebruikt voor het fokken.
Heel veel mooie honden
zijn ontstaan hierdoor, maar sluipend zijn door deze manier
van fokken veel genetische afwijkingen in de verschillende
rassen binnengebracht. Bij sommigen heeft het zelfs tot
ernstige problemen geleid, waarbij een soort dreigde te
verdwijnen door (genetische) afwijkingen.
U kunt het vergelijken
met de plantenveredeling. Er zijn soorten geweekt die een
prachtige opbrengst brachten voor de boer, maar ook heel
vatbaar bleken voor schimmels of ongedierte. De natuurlijke
voorouders werden dan (vaak uit de meest onherbergzame
streken) gezocht en weer in de populatie terug gekruist om
het ziekteprobleem te lijf te gaan.
Inmiddels is het wel
duidelijk dat als je een populatie (groep, of ras) honden
gezond wilt houden, het behouden van zoveel mogelijk goede
genen belangrijk is. Dat kan niet bij één hond, maar moet
bij alle honden samen zijn! Meer informatie hierover in dit
artikel van geneticus
dhr. Gubbels.
Een stukje
erfelijkheidsleer.
Alle levende wezens hebben chromosomen in iedere cel, waarop
alle (genetische) eigenschappen van dat wezen zijn
vastgelegd. We hebben die allemaal ook nog eens dubbel, als
een soort back-up is van iedere eigenschap dezelfde
eigenschap op het tweede chromosoom aanwezig. Je krijgt bij
de bevruchting namelijk van ieder chromosoom er één van
beide ouders.
Voor de meeste eigenschappen is het nodig dat tenminste één
van de chromosomen geen defect gen heeft. Aan het dier of de
plant zie je dus niets als het één defect en één goed
chromosoom heeft. Zo'n dier of plant wordt drager van een
afwijking genoemd.
In de erfelijkheidsleer is het de gewoonte om het goede gen
met een hoofdletter te schrijven en het defecte gen met
dezelfde kleine letter. Als je dus twee goede genen hebt
omschrijf je dat als AA ("gezond"), met een defect gen wordt
dat dus Aa, en met twee defecten genen aa. In het laatste
geval spreek je van een lijder, het dier of plant laat dan
de afwijking ook zien.
Als twee dragers met elkaar gekruist worden zal gemiddeld
bij één op de vier nakomelingen het gevolg van het hebben
van twee defecte genen zichtbaar worden. Uit de combinatie
Aa x Aa ontstaan vier mogelijkheden: AA, Aa, aA, en aa. De
laatste lettercombinatie herkent u nu als de plant die of
het dier dat de afwijking toont. Maar wat u ook ziet is dat
uit deze combinatie van dragers de helft van de nakomelingen
ook nog eens drager blijft.
Als een "gezond" dier gekruist wordt met een drager, zijn in
de helft van de gevallen de nakomelingen ook drager. In
lettertaal AA x Aa geeft AA, Aa, AA en aA.
Een gezonde
populatie
Het is in de natuur normaal dat een klein deel van de
populatie drager is van een bepaalde afwijking. Die ontstaat
spontaan door een foutje tijdens de deling van een cel
(waarbij de chromosomen ook gekopieerd worden naar de nieuwe
cellen), of bij de bevruchting.
Het dier of de plant heeft daar echter geen last van want er
is nog steeds ook een goed functionerend gen aanwezig. Je
ziet deze vaak wel geconcentreerd in families, of subgroepen
die geen contact met anderen hebben. Immers zorgt een drager
(zonder dat hij het weet!) voor een behoorlijk percentage
nakomelingen die weer drager zijn.
De kans dat twee soortgenoten die (spontaan) drager zijn met
elkaar nakomelingen krijgen is niet groot, tenzij je kiest
voor het fokken met dieren die gemeenschappelijke voorouders
hebben.
Een heleboel
erfelijke eigenschappen.
Alle voorbeelden hierboven hebben betrekking op een gen,
maar we hebben er vele duizenden. Daardoor is iedere hond
wel drager van een aantal afwijkingen. Door echter te
blijven fokken met "gezonde" honden wordt het aantal dragers
iedere generatie zo'n beetje de helft minder. Kijk nog maar
eens naar het tweede voorbeeld bij het stukje
erfelijkheidsleer. Het is dan wel van belang dat je niet met
een familielid fokt, omdat de kans dat het eerste voorbeeld
zich voordoet veel groter is. Zelfs in een populatie met
veel dragers daalt het percentage dragers na 7 (!)
generaties dan tot tussen de 1 en 5%, en blijft dan
vervolgens op dat niveau staan. De kans dat in een
dergelijke populatie een lijder ontstaat is niet nihil, maar
wel heel klein!
In het verleden is er wel veel gefokt met dieren die een
familierelatie hebben, juist om bepaalde kenmerken bij
zoveel mogelijk nakomelingen terug te zien. Het gevolg is
alleen dat ook voor andere eigenschappen veel dieren drager
worden. Eigenschappen die pas zichtbaar worden als twee
dragers met elkaar gekruist worden, want pas dan ontstaan
lijders. En als er vaker lijders in een populatie voorkomen,
dan is zo'n 40% drager!
Breed fokken.
Ofwel in de praktijk: ervoor zorgen dat zo min mogelijk
dieren gekruist worden die een familierelatie hebben.
Daarbij wordt niet specifiek gelet op goede kenmerken bij de
fokdieren maar juist op de afwezigheid van slechte
kenmerken.
Ieder normaal gezond (fok)dier wordt daarbij ingezet voor de
fok, en niet alleen de kampioenen. Omdat je in je populatie
voor alle afwijkingen het percentage dragers laag wilt
houden.
Door gedurende een aantal generaties bij te houden welke
afwijkingen voorkomen, krijg je zicht op de families waar
voor die afwijking relatief nog veel dragers voorkomen. Je
kunt dan bewust kiezen om juist deze honden alleen te
gebruiken met honden uit families die weinig dragers hebben.
Het makkelijke is dat hiervoor de computer een fijne
ondersteuning biedt. Middels het opzetten van een database
(gesorteerd gegevensbestand) kan vanuit de vereniging de
noodzakelijke ondersteuning gegeven gaan worden. Het is
later zelfs mogelijk met deze ondersteuning om HD te
minimaliseren in de populatie!
Sommige
afwijkingen zijn gewenst door de mens of natuur!
Gek genoeg zijn sommige afwijkingen door de fokkerswereld
omarmd, zoals bijvoorbeeld het blauwgen. Honden die
grijsblauw zijn missen op beide chromosomen een gen dat
zorgt voor een van de kleuren in de vacht (het is in
werkelijkheid iets ingewikkelder, maar het principe klopt
wel).
Het zelfde geldt voor het langhaargen. De kortharige honden
missen op beide chromosomen een gen dat de haren langer laat
groeien. Dus bij de normale Duitse Herder is er bewust
gefokt op honden die op beide chromosomen het langhaargen
missen.
Tot slot
Zoals u uit bovenstaande kunt begrijpen is het nooit
uitgesloten dat voor een bepaald kenmerk een hond lijder
wordt: een fokker kan dat niet voorkomen. Het lastigst zijn
de ziektes of afwijkingen die pas op latere leeftijd van de
hond zichtbaar worden. Deze worden vaak ook niet gekoppeld
aan een erfelijk probleem, maar aan bijvoorbeeld de
ouderdom. Juist voor deze afwijkingen is de enige
mogelijkheid om ze in kaart te brengen het inbrengen van
gegevens in een database!
DNA-test dan
maar?
De wetenschap gaat steeds verder. Voor een aantal
afwijkingen is het veroorzakende gen al gelokaliseerd, kan
er op getest worden, en kan bewust gekozen worden om die
afwijking in de fok te voorkomen. Jammer genoeg worden veel
afwijkingen niet door één gen, maar door een combinatie van
genen veroorzaakt. Een voorbeeld ervan is de haarkleuring
(weliswaar geen afwijking maar wel genetisch bepaald). Deze
wordt door een aantal genen aangestuurd, waardoor we zoveel
verschillende kleuren honden in onze populatie hebben. Het
zal nog wel even duren voordat we alle afwijkingen compleet
in beeld hebben. Tot aan dat moment is het zaak de genenpool
zoveel mogelijk te behouden. Middels breed fokken!
Dit artikel is
"populair" geschreven, hier en daar is een sterk
vereenvoudigde voorstelling van feiten gegeven om het stuk
leesbaar te maken.
Peter van de Wiel -
Voorzitter DHCN